Sinterklaasgedicht uit 1924

Gepubliceerd op 28 november 2022 in Verhalen.

In deze tijd van het jaar zijn we druk in de weer met verlanglijstjes, surprises, gedichten en chocoladeletters. In de winkels klinken vrolijke Sinterklaasliedjes en rollen inpakpapier gaan als zoetjes broodjes over de toonbank.

In het particuliere archief 058 van de familie Schoenmaker-Dijkman vinden we een prachtig Sinterklaasgedicht terug uit 1924. Het is een gedicht van de in Wijk bij Duurstede geboren dochter Geertruida Johanna Engelina Schoenmaker aan haar moeder Margaretha Maria van Doorn.

Het gedicht geeft ons een inkijkje in het cadeau dat bij het gedicht hoorde en op welke manier dat cadeau tot stand kwam.

Foto van Geertruida Johanna Engelina Schoenmaker, ca. 1930
Foto van Geertruida Johanna Engelina Schoenmaker, ca. 1930
Sinterklaasgedicht 1924. Archieftoegang 058, inv.nr. 87
Sinterklaasgedicht 1924. Archieftoegang 058, inv.nr. 87

In Doorn op den Kampweg, daar is een handwerkzaak. Men vindt daar mooie dingen, van breiwerk en gehaak.

Ik stond in de winkel te denken, wat ik moedertje wel zou schenken. Toen de juffrouw me deed verblijen, door een kussen van wol te breien.

Ik ging naar huis, heb welgemoed acht stekend opgezet. Maar nee ’t ging toen niet altegoed, wel toen ik beter opgelet.

Het breien niet moeilijk, was gauw gedaan. En geloof hoor mams, ’t is met liefde gedaan. Maar nu ’t maken van de voeringzak, dat bracht me totaal van mijn gemak.

Toen kwam juff Thieme op de proppen, ze zei ‘Jodocus weet je wat kom dat maar gauw bij mij volstoppen, zeg lieve kind, hoe vind je dat?’

Juff Thieme toen gauw een oud nachthemd gekregen, en wij daar saampjes een zak van geregen. Ik hem toen verder op de machine, gestikt met een reuze routine.

Ziezoo de voeringzak was af, ik stond over m’n eigen kunststuk paf. Maar hoe nu nog kapok gekregen, daar stond ik werkelijk mee verlegen.

Toen nog te weten of moes had kapok, onder of boven in hoek of in hok. ‘K nam toen m’n toevlucht tot een list, en vroeg of moes voor pa’s kussen kapok nog wist.

Uit Utrecht één el satinet, en nu begon de knutselpret. Maar u lieve tijd, ik kwam te kort hoe nu in wijk en bij gesjort!

Heel Wijk heb ik toen afgeloopen, maar nergens kon ik ’t zelfde koopen. Toen ik o heerlijke vreugde bij smit, satinet bekwam kwam van dezelfde snit.

En nu zie hier, bekijk het maar. Is ’t niet mooi zoo kant en klaar. Beleef er van nog lang plezier, en wij getuigen alle vier (hoera!).